Tag: didactiek

Afstands-onderwijs vergt een andere didactiek

Reageer »
AfstandsonderwijsPOVO

leerlingen van een Ipad-school

Jan Lepeltak

De afgelopen weken kon men op de sociale media veel wanhoopskreten van hardwerkende en teleurgestelde leraren vinden. Het online lesgeven werkte niet. Leerlingen begrepen opdrachten niet of ze haakten af en deden nauwelijks meer mee. Is dat vreemd? Eerlijk gezegd niet. Het eerste grote online project voor afstandsonderwijs uit de jaren ’90 liet dezelfde ervaringen zien. Voor de Waddeneilanden werd toen Waddenonline opgezet. Dat was geen succes. De verbindingen waren storinggevoelig, de teleconferentieapparatuur van Bang en Olufsen was kostbaar maar de belangrijkste oorzaak was, dat het onderwijsconcept niet werkte. Er was weliswaar ‘sense of urgence’: er waren op de vaak zeer kleine VO-scholen te weinig docenten en de kwaliteit liet daarom te wensen over. Men draaide zijn les en liet dat ook online zien.

Men dacht: “Als we onze leerlingen op bijvoorbeeld Schiermonnikoog gewoon met een videoverbinding een Franse les in Drachten laten volgen, dan het komt allemaal goed.” Niet dus. Toen wij een aantal jaren later vanuit de lerarenopleiding van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden met nieuwe ideeën de Waddencampus opzetten, was het moeilijk de leraren op de Wadden weer enthousiast te krijgen.
Een van de grootste struikelblokken bleek dat de deelnemende leerlingen van de verschillende scholen geen band voelden met elkaar. Leerlingen van Schiermonnikoog hingen onder andere spijkerjacks over de camera. “Wij kunnen hun niet zien, dan hoeven zij ons ook niet te zien”, zo redeneerde men.

Op basis van de vakliteratuur (zie hieronder) was onze aanpak anders. De leerlingen van de deelnemende klassen op de eilanden en het vasteland moesten elkaar echt leren kennen. 

Hoe kan men de wetenschap van nu en toen gebruiken in de huidige situatie?

Daarom kort wat belangrijke tips en trucs: 

  1. Elke leerling heeft in principe toegang tot internet en een simpele webcam. Als dit niet het geval is dan kan de school daar via gemeente of overheid in voorzien.
  2. Gebruik goedwerkende gratis programma’s voor de communicatie, zoals bijvoorbeeld Zoom (tot 50 leerlingen tegelijk is het gratis) of een platform/leeromgeving van de school waarmee je onderling kan communiceren. Ook leerlingen onderling. Elke school of koepel heeft wel een ICT-coördinator die dat kan regelen en waarmee je kunt proefdraaien.
  3. Stel heterogene groepjes samen van 4 a 6 leerlingen. Bijvoorbeeld met 2 gemiddelde leerlingen, 2 wat trage leerlingen en 2 snelle leerlingen. Lees wat Kees Vernooy hier over heeft geschreven.
  4. Zorg vanaf het begin dat er een prettig groepsgevoel ontstaat. Stel eerst wat korte vragen waarmee je iedereen op zijn gemak stelt zoals: wat is je favoriete eten, wat vind je een leuk object in je kamer, welke film vond je het mooist, wat is je favoriete zanger/popgroep etc.
  5. Geef je ‘klassikale’ instructies en korte opdrachten aan elke groep afzonderlijk. Stel een rooster op. Geef elke dag wat korte info-prikkels (sparks) om warm te draaien.
  6. Stimuleer ook dat alle deelnemers op elkaars individuele resultaten kunnen reageren en elkaar kunnen helpen.
  7. Door de socialisatie wordt het moeilijk je binnen een groep te ‘drukken’ of af te haken.  Let wel op de rol die iedereen zich (onbewust) aanmeet. Gilly Salmon gebruikt een mooie typologie. Zo heb je de spreeuw die zo nu en dan opduikt en dan het hoogste woord heeft, of het konijn, dat online leeft en steeds heel snel reageert, de muis die je nauwelijks hoort en weinig bijdraagt, het hert dat de discussie domineert, etc.
    Hoe hier op te reageren is voor een volgende keer, al komt Salmon met goede suggesties. Nog even dit. Vaak wordt de term thuisonderwijs gebruikt. Dat is verwarrend. Het doet doet denken aan het concept van homescholing wat echt iets anders is.Wil je je ervaringen delen, graag dat kan onderaan bij de reacties.

Literatuur:

Zie ook:

Zie ook voor een inleidend overzicht waaraan ik heb meegewerkt: https://www.groene.nl/artikel/als-u-beweegt-zie-ik-u-niet-meer

Gilly Salmon. In E-tivities. The key to active online learning. London 2002.


Gilly Salmon. E-Moderating. The Key to Teaching and Learning Online. London 2003.

David Jaques and Gilly Salmon. A handbook for face-to-face and online environments . London–New York 2007.

Etienne Wenger. Communities of Practice. Learning, Meaning and Identity. Cambridge, 2006.

Op de site van Wilfred Rubens over blended learning is ook nuttige info te vinden.

Een van de weinige ICT-successen: de invoering van fysische informatica in het vo

Reageer »
DidactiekInformaticaLeerplanontwikkelingnatuurkunde

Prof. dr.Ton Ellermeijer (foto: J.C.Lepeltak)

 

Interview met dr. Ton Ellermeijer bij wie het 40 jaar geleden allemaal begon

Door Jan Lepeltak

Natuurkunde is het enige eindexamenvak in havo en vwo waar informatica deel van uit-maakt. Het onderdeel fysische informatica is sinds 1992-1993 integraal deel van het natuurkundecurriculum. Leraren zijn nageschoold (zonder enige registerdwang); er is lesmateriaal en hardware beschikbaar; kortom het is een heus, serieus vakonderdeel geworden. Aan de vier in balans voorwaarden van Kennisnet lijkt te zijn voldaan. Hoe is dat zo gekomen?

We bezochten in Amsterdam-Buitenveldert CMA. Deze spin-off van de Universiteit van Amsterdam bestaat in 2017 dertig jaar. Begonnen begin 80’er jaren binnen de didactiek natuurkunde vakgroep aan de UvA en vanaf 1987 als Stichting Centrum voor Micro-computer Applicaties (CMA). Vervolgens werkte CMA samen met het AMSTEL Instituut binnen de Bèta-faculteit (FNWI).  Een overactieve decaan sloot dit gerenommeerde instituut om zijn bezuinigingsdoelstellingen te halen om vervolgens zelf na twee jaar weer naar het bedrijfsleven te verhuizen, waar hij ook vandaan kwam. (meer…)

Wat is het verschil tussen coding en computational thinking?

1 reactie
codingDidactiekICTInformaticarobotica

 

Workshops Robopal

Workshops Robopal

In de codeweek die onlangs werd gehouden lag de nadruk sterk op programmeren. Programmeren is niet hetzelfde als computational thinking (CT). De vraag die men vaak hoort is of programmeren/coding wel thuis hoort in het programma van de basisschool? Als kinderen dat leuk vinden, waarom niet? Er zijn meer zaken leuk die belangrijk lijken en die niet meer bestaan, zoals schoolzwemmen bijvoorbeeld. Vraag is hoe zou een CT-leerplan dat meer is dan puur coding eruit kunnen zien?

Door Jan Lepeltak

De didactiek voor programmeren heeft een lange voorgeschiedenis en begint bij de dit jaar overleden Seymour Papert (hoogleraar aan het medialab van het MIT). Papert ontwikkelde samen met anderen de programmeertaal Logo in de jaren ‘70/’80 van de vorige eeuw. Een kernidee was dat leerlingen kennis ontwikkelen in interactie met de fysieke wereld waarin ze zich bevinden. Dat kan ook gelden voor computers. In de oertijd van Logo leerden kinderen hoe ze een virtuele of fysieke schildpad kunnen aansturen (lees programmeren). Uitgangspunt van Papert was dat kinderen leren ‘in control’ te zijn van de computers en niet andersom.

Het concept van CT kan gezien worden als een verdere verdieping van de ideeën rond programmeren in het onderwijs en past goed in de traditie van Logo en de Maker Educatie. Niet verwonderlijk  als men weet dat Mitchell Resnick, die met zijn MIT-medialabteam Scratch ontwikkelde, een leerling is van Papert.
Jeanet Wing, voormalig hoogleraar computerwetenschap aan de Carnegie Mellon University introduceerde het begrip CT in 2006. Volgens Wing gaat het bij CT niet alleen om coding en programmeren. Er is meer. Het gaat ook over de vraag welk soort problemen door computers kunnen worden opgelost en welke beter door mensen kunnen worden getackeld,  omdat mensen er gewoon beter in zijn. (meer…)