Zin en onzin bij Gert Biesta’s boek

Het prachtige risico van onderwijs

Over het prachtige risico van onderwijs van Gert Biesta

‘Wie denken kan, leert van zichzelf, niet van de wijzen’.
Chinees gezegde, achtste eeuw.  Geciteerd door Frits Staal [1]

Het uit het Engels vertaalde boek Het prachtige risico van onderwijs van de Nederlander Ger Biesta. brengt bij sommige leraren op Twitter warme gevoelens teweeg, van instemming tot dweepzucht. Biesta heeft onderwijsopvattingen waar ik mij doorgaans zeer wel in kan vinden.  Zo deel ik zijn opvattingen over de rol van de docent in het  onderwijs, zijn kritische opvattingen over evidence based onderwijs (al is het waarschijnlijk om een andere reden)[2],   de meet- en toetscultuur,  de onzin over de docent als louter coach, en over  de onvoorspelbaarheid van onderwijzen.  Toch ontstaat er bij het lezen van delen van het boek een oncomfortabel en knagend gevoel. Zijn filosofische argumentatie, redeneringen  en concepten kan ik doorgaans niet volgen. Noties als ‘de metafysica van tegenwoordigheid’, ‘deconstructie’,  ‘transgressie’,’ het denken transcenderen’, ik kan er weinig mee. 
Uit de filosofie zijn in de 19e eeuw respectabele wetenschappen voortgekomen zoals de sociologie en psychologie. Dat geldt ook voor de 20e eeuw. Ik gebruik daarom, als het om leren en onderwijzen gaat, liever argumenten uit hedendaagse wetenschappen als de cognitieve psychologie, neurowetenschap, wetenschapsfilosofie en (psycho)linguïstiek. Ik denk aan voor mij relevant werk van wetenschappers als Carl Bereiter,  Noam Chomsky, Howard Gardner, Catherine Snow, Jelle Jolles, Seymour Papert en Mitchel Resnick, om slechts enkelen te noemen. Kortom daar waar de empirie, formele logica, wiskunde, (wetenschaps)filosofie en de praktijk ons iets leren over leerprocessen en onderwijzen.

Tijdens het lezen  van Het prachtige risico moest ik denken aan de affaire Staal, die zich in de tweede helft van jaren ’60 aan de Universiteit van Amsterdam had afgespeeld.  De Amsterdamse hoogleraar Frits Staal (1930-2012) werd het middelpunt van een discussie die het karakter kreeg van een academische twist.  Staal gold internationaal als een eminent en veelzijdig geleerde. Hij studeerde wis- en natuurkunde en filosofie, logica, Indiase filosofie, linguïstiek en Sanskriet. Een geruchtmakend artikel in de Gids van 1967 was de bron van de affaire. Staal onderscheidde in zijn Gidsartikel zinvolle en zinledige uitspraken.  Staal geeft als voorbeeld, taalanalyses van het werk van Heidegger en Gadamer.  Bekend is Heidegger’s uitspraak ‘das Nichts Nichtet’.  Verwijzing en betekenis worden door elkaar gebruikt, wat diepzinnigheid suggereert, maar feitelijk betekenisloos is. Zo’n uitspraak is daarom filosofisch zinloos.
Staal wijst erop dat er ware en onware uitspraken, en zinvolle en zinloze bestaan. Alleen de zinvolle uitspraken komen voor het predicaat waar of onwaar in aanmerking. Uitspraken als “Das Nichts nichtet” (Heidegger) zijn op geen enkele wijze te onderzoeken of te verifiëren. Bij taalkundige analyse blijven ze niet overeind en zijn ze volgens Staal dus filosofisch zinloos.  Staal baseerde zich daarbij op een analyse van de filosoof  en logicus Rudolf Carnap.
Het ‘gedwongen’ vertrek van hoogleraar filosofie Staal markeert een ingrijpende breuk in ons filosofische landschap waarvan we de effecten nog steeds waarnemen.
De continentale filosofie, gedomineerd door het Duits idealisme en het Frans nihilisme/existentialisme en de structuralistische opvattingen van o.a. Foucault, werd dominant.  Dit ten koste van de analytisch filosofische benadering van de taal die logisch-mathematisch georiënteerd was. Internationaal gerenommeerde instituten van de Universiteit van Amsterdam, zoals het Instituut voor Grondslagenonderzoek en Filosofie der Exacte Wetenschappen, werden opgeheven.  Van de bèta-georiënteerde analytisch filosofische traditie bleef na de vroege dood van de hoogleraar Evert Beth, directeur van het Instituut voor Grondslagenonderzoek, weinig over.
De zin van Biesta: “ (…) dan volgt daaruit dat subjectiviteit niet langer kan worden opgevat als kenmerk van iets, (letterlijk van een iets)”, doet denken aan een voorbeeld dat Staal geeft van het gebruik van het woord Das Nichts (Heidegger). Het voorbeeld [3] is ontleend aan Lewis Caroll’s Through the Looking Glas. En gaat over “Nobody”. De koning vroeg  aan zijn boodschapper wie hij was tegen gekomen onderweg. De boodschapper antwoordde: niemand. De koning reageerde met:  “aha, deze jongedame zag hem ook. Natuurlijk deze niemand loopt langzamer dan jij…” 
 De koning  (in feite de heer in het kaartspel) spreekt over het niets, alsof het naar iets verwijst, terwijl het alleen maar iets betekent.  Hier worden verwijzing en betekenis door elkaar gehaald.
Staal’s opmerkingen over Heidegger en andere continentale (Duitse en Franse) wijsgeren werden hem door niet-analytisch ingestelde filosofen niet in dank afgenomen en leidden tot een hoog oplopende ruzie binnen de toenmalige interfaculteit  De briljante en veelzijdige Staal vertrok na de nodige pesterijen uiteindelijk naar de VS waar hij zijn carrière vervolgde. Hij was o.a. hoogleraar linguïstiek aan het MIT en later filosofie en Sanskriet aan de University of California in Berkeley.

Het theologische eerste hoofdstuk van Biesta over het Bijbelse scheppingsverhaal in relatie tot schepping en creëren is cultuurhistorisch interessant, maar ik kan er verder weinig mee. Biesta slaat een filosofische richting in die ik noch kan en noch wil volgen om redenen die door Staal, maar ook door bijvoorbeeld de wetenschapsfilosoof Popper [4] zijn genoemd. 
Biesta heeft daarentegen wel onderwijsopvattingen waar ik me , zoals ik eerder aangaf,  goed in kan vinden. Dat geldt niet voor al zijn opvattingen. Daar valt door het hermetische karakter van het boek feitelijk niet over te discussiëren.
Het taalgebruik van Biesta is diepzinnig zullen zijn bewonderaars zeggen, onhelder, vaag, en quasi diepzinnig,  zou je ook kunnen zeggen.  Laten we het voorlopig houden op moeilijk interpreteerbaar. In zijn voorwoord stelt hij dat een boek wilde schrijven met een sterke eenheid, consistentie en logica.  Echter het materiaal waarmee hij werkte: de ideeën, de teksten, de zinnen, de woorden, de taal, lieten hem niet toe te doen wat hij wilde doen, stelt hij. Dat is erg jammer voor de lezer. Daar laten fysici zich met hun neutrino’s, het Higgsboson, de kwantummechanica en zwarte gaten zich niet door leiden. Ze hebben de formele taal van de wiskunde om zich ondubbelzinnig over heel complexe zaken uit te drukken.  Wat gezegd kan worden, kan helder gezegd worden. Ik moet denken aan een uitspraak van Einstein: “Gedurende mijn hele leven hield ik van goed gekozen, heldere woorden en een bondige presentatie. Van pompeuze frases en woorden krijg ik kippenvel of ze nu gaan over de relativiteitstheorie of over iets anders.” [5]
Het deels hermetische karakter van het boek (dit geldt niet voor alle hoofdstukken) maakt het voor mij als lezer erg moeilijk de argumenten die tot zijn uitspraken over onderwijs leiden te volgen. Zijn, ‘Caleidoscopische logica’. zoals hij het noemt, behoort niet tot mijn logisch taalfilosofisch repertoire.
Het gaat om allerlei uitingen waar ik geen zinnige betekenis aan kan geven zoals de door Biesta gestelde vraag: “hoe we in het onderwijs ruimte kunnen maken voor het verschijnen van subjectiviteit als gebeurtenis.” Subjectiviteit als gebeurtenis in het onderwijs?  Wordt hier “gespeeld” met semantische categorieën?
Nog een citaat dat doet denken aan Staal’s artikel: “ De stap van bewustzijn naar een metafysica van oorspronkelijke en uiteindelijke objecten, ‘naar een metafysica van het bestaan’ is een metafysica van processen en zijn” (p.58)
Biesta stelt dat de vraag wat het betekent om recht te doen aan iedereen die deelneemt aan communicatie  “geen vraag [is] die simpelweg kan worden uitgewerkt op het niveau van theorie, omdat het namelijk geen kwestie is van het hebben van de ‘juiste’ theorie. Uiteindelijk zullen we daarom ook de communicatietheorieën zelf moeten riskeren.” Welke theorie Biesta overigens ‘riskeert’ is mij duidelijk niet geworden.
Dat de grote onderwijsvernieuwer Dewey (waar Biesta zich onder meer op beroept) bepaalde opvattingen had over taal en communicatie is in het licht van zijn tijd (1917) begrijpelijk.  Dat onderwijs primair bestaat uit overdracht door communicatie daar is veel voor te zeggen. Maar heeft het zin om anno 2015 voorbij te gaan aan honderd jaar linguïstisch en logisch-filosofisch onderzoek vanaf Ferdinand de Saussure,  Carnap, Wittgenstein en Chomsky ?
Bij de vele doelen waarvoor het onderwijs zich gesteld ziet, mis ik er een expliciet bij Biesta. Voor mij de belangrijkste. Gedurende de jaren dat ik les heb gegeven (van 1 mavo tot 6 vwo) was voor mij het ultieme doel dat mijn leerlingen zich ontwikkelden tot soevereine kritische, niet dogmatische, rationele geesten met oog voor humaniteit.  Jong volwassenen die zin van onzin konden onderscheiden.

Noten:

[1] Frits Staal. Citaat bij Zinvolle en zinloze filosofie. In: Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap. Amsterdam, 1986. P. 143

[2] Het probleem van evidence-based onderwijs is dat de resultaten van onderzoek waarop men zich baseert vaak wetenschapstheoretisch discutabel zijn. Statistisch significant wordt vaak verward met oorzakelijk verband of beter correlatie (dank Casper Hulshof).

[3] Zie Frits Staal. Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap. Amsterdam, 1986. P. 143.

[4] Zie ook Popper Conjectures and Refutation. The growth of Scientific Knowledge. New York 1965  p 194.

[5] Albert Einstein. In: Berliner Tageblatt 27 augustus 1920. Geciteerd in Alice Galaprice The new Quotable Einstein . Princeton, 2005.

j.lepeltak@learningfocus.nl

2 reacties op “Zin en onzin bij Gert Biesta’s boek”

  1. Hallo Jan
    Je klinkt wat teleurgesteld. Misschien wil je in Van12tot18 de stukken lezen die we met een aantal auteurs hebben geschreven over de verschillende hoofdstukken van Biesta’s boek. We hebben ieder geprobeerd op onze eigen manier zo’n hoofdstuk te vertalen naar onze lespraktijk. Een soort ‘Biesta companion’. Benieuwd wat je ervan vindt.
    Groet. Dick

  2. Jan Lepeltak schreef:

    Hai Dick, voor zover nog niet gedaan zal ik die zeker lezen. Mijn recensie (gaat puur over de NL-vertaling van zijn boek verschijnt ook in 12-18 (aprilnr.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.