Economie bepaalt verandering in onderwijs

Zitten blijven kost 500 miljoen euro per jaar

Geld en economie vormden altijd een dominante factor bij onderwijsveranderingen. We konden recent in de pers lezen dat zittenblijven de staat ca. 500 miljoen per jaar kost.  Het zou me niet verbazen als dit de stoot geeft voor veranderingen. Dat is niet nieuw de industrialisatie en de internationale handel in de tweede helft van de 19e eeuw leidde tot de oprichting van een nieuw schooltype: de hogere burger school (hbs).
De economische situatie in de jaren ’60  van de vorige eeuw leidde ook tot bezinning en herziening. De hbs verdween na 100 jaar en de havo en het vmbo werden ingevoerd (Mammoetwet). In de jaren ’80 kregen we door de ingrijpende micro-technologische revolutie de basisvorming met nieuwe kerndoelen en het studiehuis en de vier vakprofielen. Mede bedoeld om het academische onderwijs doelmatiger te maken (gerichtere beroepskeuze en daardoor minder studentenuitval).

De hbs

Dat economische en dus financiële  factoren een cruciale rol spelen in onderwijsveranderingen blijkt zoals eerder gesteld  niet nieuw. De hbs werd in de tweede helft van de negentiende eeuw opgericht  (1863) omdat je op het gymnasium (de enige opleiding die toegang gaf tot de universiteit) wel veel leerde over klassieken en Latijns en Grieks maar vrijwel niets over natuurkunde, scheikunde en techniek.  Deze vakken waren  van groot belang  bij de industriële revolutie, die in Nederland rijkelijk laat op gang kwam. Ook de praktische beheersing van moderne vreemde talen als Frans, Duits en Engels schoot ernstig te kort.  Die waren van vitaal belang voor de stimulering van onze handel (handelscorrespondentie). Alleen door een alternatief te ontwikkelen voor het gymnasium (de school van de gegoede klasse) kon Nederland zich van de 19e eeuwse Jan Salie geest bevrijden en worden opgenomen in de vaart der volkeren.
Einstein noemde hem zijn leermeester, toch moest  de briljante Nobelprijswinnaar Hendrik Lorentz (zoon van een tuinder) nog aparte lessen Grieks en Latijn nemen om toegelaten te worden tot de universiteit. Overigens blonk hij ook in deze vakken en sprak en schreef hij vloeiend Frans. [1] Nagenoeg alle Nobelprijswinnaars uit wat wel onze 2e Gouden eeuw (eind 19e en begin 20e eeuw) wordt genoemd, hadden de hbs doorlopen. Denk aan geleerden als Heike Kamerlingh Onnes, Pieter Zeeman, Jacobus van ’t Hoff (de eerste Nederlander die een Nobelprijs ontving) [2].
De technologische ontwikkeling had ook invloed op de didactiek, maar daarover een andere keer meer.

Invoering van ICT in het onderwijs

De invoering van IT (later ICT) in het onderwijs midden jarig ’80 kwam voort uit de aanbevelingen in het rapport van de staatscommissie Rathenau.  De staatscommissie Rathenau werd eind jaren ’70 van de vorige eeuw ingesteld vanwege de IT-revolutie die het gevolg was van de uitvinding van de geïntegreerde elektronische microschakeling. Deze vond zijn eerste praktische toepassing in het Apolloproject (tweede helft jaren ’60).  De afstand van de maanlander naar de mainframe computers op aarde leverde een tijdsvertraging van seconden op die bij berekeningen voor het vinden van geschikte landingsplaats fataal kon zijn.  Er was behoefte aan kleine, lichte computers die men in de maanlander mee kon nemen. [3] Steeds meer IT werd in de jaren ’70 in allerlei sectoren toegepast. Nederland werd onrustig. Men dreigde de boot te missen.

Uit de voorstellen van de commissie Rathenau is het INSP (Informatica StimuleringsPlan) voortgekomen. Bij de  onderwijsdoelstelling in 1984 lezen we[4] :
– De burger vertrouwd maken met IT: burgerinformatica / Informatiekunde (’85)
– Het creëren van  human capital daardoor versterking van de marktsector,
– Het gebruik  stimuleren en deelname aan het functioneren van maatschappelijke voorzieningen
– in 5 tot 10 jaar moesten alle leerlingen onderwezen in mogelijkheden computer voor beroep, deelname aan maatschappij, persoonlijke ontplooiing.
Die persoonlijke ontplooiing werd gelukkig (als laatste) ook nog genoemd.
Doe tien jaren waarbinnen men meende dit te realiseren waren wel erg optimistisch. Na dertig jaar (en zeker 1,5 miljard verder) hebben we ze feitelijk nog niet allemaal gerealiseerd.
In genoemde doelstellingen zit impliciet ook de verklaring waarom niet gekozen werd voor de Papert-Logo benadering. De doelstelling van Seymour Papert waarbij leerlingen in echt in control zouden zijn de computer was niet aan de orde. De arbeidsmarkt stelde andere eisen. Nu meer dan dertig jaar is de situatie veranderd en denken we daar gelukkig anders over.

 

 



[1] Zie A.J.Kox. Hendrik A.Lorentz. In: Van Stevin tot Lorentz. Portretten van achttien Nederlandse natuurwetenschappers. (onder redactie van A.J.Kox). Amsterdam, 1990.

[2] Zie B.Willink. De tweede Gouden Eeuw. Nederland en de Nobelprijzen voor natuurwetenschappen 1870-1940. Amsterdam, 1998.

[3] Zie W.Isaacson. The Innovaters. P.181 e.v. New York 2014

[4] Zie , Bijgestelde bijlage met beleidsvoornemens op het gebied van Informatietechnologie. Brief aan de 2e kamer, vergaderjaar 1983-1984. 18, 224, nr. 2 p.6 (Tijdpad, doel en prioriteiten).

Eén reactie op “Economie bepaalt verandering in onderwijs”

  1. In het verlengde van je opmerkingen over Papert verwijs ik graag naar het recente artikel van Miles Berry voor het bald SwitchedOn van Computing at school.

    Computer science as an entitlement for all as part of the national curriculum is undoubtedly an achievement of which CAS and its friends can be proud. It’s appropriate that our attention now moves from the ‘what’ to the ‘how’ of computing education. We would, though, be wrong to think that this is all entirely new: programming has been on the national curriculum since its very beginning in 1989, and school children have been learning to program in Logo since well before that.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.