30 jaar computers op school (1): de proloog

 

pons- of hollerithkaart

pons- of hollerithkaart

(1) De jaren ’60-’70
Deze kleine persoonlijke geschiedenis laat ik beginnen in 1984. Het schooljaar van het honderd scholen project waarin de overheid voor het eerst computers op Nederlandse (VO) scholen introduceerde.  Het was ook het jaar waarin ik als leraar experimenteerde met informatica lessen binnen het vak Nederlands en mijn eerste artikel schreef over computers in de klas voor het tijdschrift Levende Talen.[1] Maar er is ook wat protohistorie, de vroegste geschiedenis, waarmee ik begin.

 Mijn oudste IT herinneringen gaan terug naar de jaren ’60. Als scholier bezocht ik het (niet meer bestaande) gebouw van het Nederlands Instituut voor Nijverheid en Techniek (NINT) in Amsterdam. We kennen het NINT nu als NEMO gehuisvest in dat markante gebouw aan het IJ van architect Renzo Piano (o.a. van het Centre Pompidou in Parijs).

 Het NINT bezat een echte computer. Een groot donkergroen apparaat ter grootte van vier hoge staande ijskasten naast elkaar. Dit geschenk van IBM kon ponskaarten lezen, die werden ook wel Hollerith-kaarten genoemd naar de uitvinder.[2] Toch trok de nagebootste scheepsbrug met radar meer dan de rode flikkerende lichtjes van de IBM-computer.

Tijdens mijn studie Nederlands en Algemene Taalwetenschap aan de UvA, ontstond mijn belangstelling voor de moderne taalkunde met daarbij een persoon waar het om draaide: Noam Chomsky. Deze briljante geest zette de taalwetenschap op zijn kop met het doel er een echte wetenschap van te maken. Zijn belangrijke bijdragen aan de theorie van (formele) grammatica’s in de jaren ‘50 legde mede de basis voor de ontwikkeling van hogere programmeertalen die de informatierevolutie mede mogelijk maakte.
Chomsky stelt in zijn meest klassieke boek Aspects of the Theory of Syntax, een onderzoeksmodel voor over de wijze waarop wij natuurlijke taal en grammatica’s (ook die voor programmeertalen) kunnen bestuderen.  Wat Newton deed voor de natuurwetenschap deed Chomsky voor de taalwetenschap hij maakte er een echte empirische wetenschap van.  Zijn ideeën over ons taalvermogen dat ons in staat stelt als kind elke menselijke taal te leren, heeft hij de afgelopen decennia wel bijgesteld, maar dat natuurlijke taal datgene is wat ons van alle zoogdieren onderscheidt staat inmiddels buiten kijf.

Amsterdam was in de jaren ’70 het Europese centrum van deze nieuwe benadering in de taalwetenschap. Het instituut voor algemene taalwetenschap (ATW) aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam ( Nu UvA) was opgericht door een van de grondleggers van de taalwetenschap in Nederland. Prof.dr. Anton Reichling. Een ex-jezuïet. Ofschoon hij met emeritaat was gaf hij op zaterdagochtend colleges taalfilosofie als bijvak in de Oudemanhuispoort voor een kleine groep geïnteresseerden. Deze volgde ik  vanwege mijn interesse voor de (taal)filosoof Ludwig Wittgenstein en Reichling’s mooie dochter die samen met Duco van Weerlee (ex-provo en later schrijver/journalist in Indonesië)  als kandidaats-assistenten zijn colleges bijhielden.

Heerlijk waren de uren waarin gefilosofeerd werd over de zin De vek blakt de muggen uit Reichling’s standaardwerk “Het Woord”.

Ik woonde nog bij mijn ouders en een keer kwam ik thuis en trof mijn moeder in opgewonden toestand aan. Een professor had voor mij gebeld. Die avond werd ik door Reichling ontvangen op zijn appartement aan de Amsteldijk, waar ik mijn eerste Hajeniussigaartje rook terwijl we spraken over Wittgenstein. Zijn dochter was helaas niet aanwezig.

 


[1] Jan Lepeltak, (1984) Taalbeschouwing en Informatica. Levende Talen, november 1984. P. 376-380

[2] Herman Hollerith (1860-1929). Zoon van Duitse immigranten in de VS. Ontwikkelde de Hollerith-kaart, ponskaart voor de volkstelling van 1890. Waarmee de snelheid door de mechanische verwerking van de kaarten met een factor van bijna 1000 werd vergroot.  Hij was de stichter van de voorloper van IBM.[2]

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *