Het alternatief (2) Prick en De Wit en ‘kloofdenkers’?

het alternatief

 

Er lijkt in Het Alternatief een kloof te bestaan dan tussen de opvattingen van Leo Prick en Bas de Wit. We kennen de opvattingen van Prick uit zijn columns in het NRC en andere publicaties. Prick woont tegenwoordig grotendeels in Frankrijk maar laat nog steeds van zich horen. In Het Alternatief staat een interview met hem..

Prick wordt nogal eens verweten een azijnpisser te zijn. Dat komt omdat hij zich de afgelopen decennia zich met niet aflatende energie kritisch uitlaat over ontwikkelingen in ons onderwijs. Maar doorgaans lijkt hij helaas het gelijk aan zijn kant te hebben. Zo blijkt ook weer in het interview met hem in Het Alternatief.

Als gevolg van de schaalvergroting zijn betrokkenen het zicht kwijtgeraakt op het reilen en zeilen van de van de organisatie. Je kunt als docent niet verder kijken dan je eigen school of vestiging, stelt Prick. Hij richtte zijn pijlen niet alleen op de overheid en met name politici als Ritzen, Deetman en Netelenbos maar ook op de houding van de vakbonden. Zij accepteerden de tweedeling onder de leraren. Zij van de voor de HOS en zij van na de HOS, de herziening onderwijssalarisstructuur uit het begin van de jaren 80. Het was volgens Prick een laffe maatregel omdat er voor werd gekozen te bezuinigen op de toekomstige leraren. Die konden niet protesteren, want ze waren nog niet. Het kwam de verhoudingen in de docentenkamers niet ten goede.

In de jaren 90 hebben de PvdA politici als Wallage en Netelenbos het voortgezet onderwijs ingrijpend “vernieuwd”. Volgens Prick hadden ze door ideologie gedreven nauwelijks oog voor de realiteit. Dat heeft het onderwijs veel kwaad gedaan. Prick heeft een genuanceerd oordeel over de CITO-toets. Aan de hand van de scholen in Amsterdam illustreert hij het belang van de toets als meetinstrument, niet voor individuele leerlingen, maar voor de scholen. De verbetering van de kwaliteit van de Amsterdamse scholen koppelt hij dan ook aan de verplichting om aan de Cito-toets deel te nemen. Interessant is ook wat hij stelt over de rol van de sectorraden. Deze besturen organisaties zijn echte lobbyorganisaties geworden. Zo zien we dat de voorzitter van de PO-Raad de voormalige inspecteur-generaal van het onderwijs is. Wat toch een zeer prestigieuze onderwijs baan is. Thom de Graaf verruilt zijn burgemeestersfunctie in Nijmegen voor het voorzitterschap van de hbo-Raad. Het gelijk van Prick wordt recent bewezen door het feit dat de VO-Raad Paul Rosenmuller als voorzitter heeft  benoemd.

Jammer dat Prick niet nader ingaat op het lerarenregister en de rol van de onderwijscoöperatie. Maar ook hij ziet het gevaar dat uiteindelijk de sectoren zelf de eerstegraads opleidingen kunnen gaan regelen. Het lijkt alsof niemand een vuist maakt voor beter onderwijs terwijl we volgens Prick nog steeds talloze onbevoegde docenten hebben. Als je daar werkelijk iets aan wil doen dan betekent dat uiteindelijk dat het meer geld gekost.

Prick bepleit dat de Nederlandse leraar meer vertrouwen en ruimte krijgt maar voorwaarde is dan wel dat hij beter is opgeleid. De laatste jaren wordt er door het kabinet gepraat over verbetering van de kwaliteit van de pabo’s. Maar stelt Prick die kwaliteit is al bijna 30 jaar in discussie. Het is een dramatisch onderwerp want een gebrekkig opgeleide leraren die blijft volgens preek niet een paar jaar in het onderwijs maar die blijven hun hele leven. Hoe anders is geluid van Bas de Wit

 

Het spiegelpaleis.

In zijn openingszin van zijn uitvoerige bijdrage, getiteld het Spiegelpaleis, stelt Bas de Wit dat het onderwijs lijkt het te lijden aan een chronisch onbehagen. Daarmee lijkt de toon een beetje gezet. Het is alsof de auteur, adviseur van de VO-Raad, wil zeggen dat er in het onderwijs eigenlijk veel gezeurd wordt. Politici en beleidsmakers, maar vooral ook bestuurders en managers worden door docenten aangewezen als veroorzakers van dat onbehagen. De Wit komt op voor de managers. Het is prijzenswaardig dat in het Alternatief dit geluid ook is te horen. Wit schetst terecht dat managers in een spagaat terecht zijn gekomen tussen enerzijds de eisen die de overheid en de onderwijsinspectie stelt en anderzijds de behoefte aan vernieuwing en autonomie van de docent. Daar komt nog bij dat in de huidige situatie bestuur en directie een feitelijke eenheid vormen, daarbij vaak marginaal gecontroleerd door een raad van toezicht. Er zijn plannen om dit te wijzigen.

De positie van de schoolmanagers hoeft volgens Wit niet per se tot extreme ontsporingen te leiden zoals we hebben gezien bij de (bijna) failliete scholen groep Amarantis in Amsterdam of de Rotterdamse stichting BOOR. Er zijn ongetwijfeld goede schoolmanagers maar de oorzaak van alle kwaad is uiteindelijk gelegen in de mega-schaalvergroting, waar Prick het eerder ook over had. In die zin is het verwijt aan de politiek die dit mogelijk heeft gemaakt volstrekt terecht. Het is jammer dat het Spiegelpaleis hier nauwelijks op in gaat.

Mijn persoonlijke ervaringen met een aantal schoolmanagers, die zich bij voorkeur voorstellen als voorzitter of lid van het college van bestuur, zijn helaas niet al te positief. De toenmalige voorzitter van een Fries college van bestuur met als hobby ICT vertelde mij eens trots dat hij besloot, zonder daar de ICT-medewerkers in te kennen, tot de aanschaf van allerlei software programma’s, zoals een roosterprogramma. Dit leidde uiteindelijk ook tot zijn deconfiture omdat er  bij het begin van een nieuw schooljaar erop de meeste scholen van een chaos sprake was.  Iets waar de Leeuwarder Courant gewag van maakte. 

Ik kwam op een afscheidsreceptie een oud collega en nu schoolleider tegen die werkte bij Amarantis nog voor de crisis. Toen hij het had over collega’s die te weinig bereidheid toonden tot verandering en innovatie maakte hij met zijn rechterhand een wegwerpgebaar over zijn schouder. Dan heb ik het nog niet over het schandaal bij een scholengroep in Noord-Holland waar uiteindelijk de manager moest verdwijnen omdat hij gezorgd had voor een sfeer van achterdocht en intimidatie en de lokale politiek op een gegeven moment dwong tot ingrijpen. Ook nadat over deze kwestie in de landelijke pers berichten verschenen.

De Wit vindt dat docenten een sterkere positie zouden moeten hebben, maar hij zoekt de oplossing vooral in een statuut waarin de positie van de leraren ten opzichte van bestuur en schoolleiding stevig moeten zijn geborgd. Ik betwijfel of dit de goede weg is. Kies liever voor de menselijke maat, vertrouwen en autonomie. De alledaagse werkelijkheid binnen scholen is volgens de Wit in het publieke en politieke debat steeds verder uit beeld geraakt, ze lijkt te zijn vervangen door retoriek, beeldvorming en het zoeken naar een zondebok. Is dat werkelijk zo? Het onderwijs is volgens De Wit een spiegelpaleis, waarin een vervormde spiegelbeeld van managers in stand wordt gehouden. Zijn uitgebreide voetnotenapparaat inclusief diverse vermeldingen van zijn eigen proefschrift kunnen mij niet overtuigen, hoe empirisch de claims ook zijn. We hebben het hier niet over rocket-science.

 

De Wit hanteert het begrip “de kloofdenkers”. “De” manager bestaat niet en is een illusie en empirisch gezien onjuist stelt hij. Daar valt weinig tegen in te brengen, net zomin als dé leraar en dé Nederlander empirisch gezien niet bestaan. Gratuite is ook de opmerking dat uit onderzoek blijkt dat “goede, constructieve relaties zullen meer bijdragen aan “beter onderwijs” dan slechte relaties.” Ja hallo. Kern is dat, alle goede bedoelingen ten spijt, zaken als docentenstatuten niet de oplossing van de verstoorde relaties binnen scholen. Wat dan wel? Iets wat in laatste deel van Het Alternatief wordt aangeduid als collectieve autonomie (p.270-271).

 

 

2 reacties op “Het alternatief (2) Prick en De Wit en ‘kloofdenkers’?”

  1. Bas de Wit schreef:

    Geachte heer Lepeltak, beste Jan,

    Dank voor de interessante beschouwing over Het Alternatief. Goed dat er ook op de hoofdstukken over management en leiderschap uit de bundel wordt gereflecteerd! Omdat Twitter zich niet goed leent voor een uitgebreide reactie, hieronder mijn reactie op een aantal punten uit uw betoog.

    1. Om met uw kernboodschap te beginnen: hier kunnen we elkaar juist goed vinden. In mijn hoofdstuk in Het Alternatief geef ik weer dat ik juist geen voorstander ben van een professioneel statuut om de positie van leraren te regelen. Op p. 162 schets ik dat dat statuut in het debat (!) wordt gezien als een panacee; in de conclusie van mijn hoofdstuk geef ik juist weer dat het moet gaan om het creëren van een voortdurende dialoog tussen leraren en schoolleiders i.p.v. het vastleggen van professionele ruimte in een statuut (p. 169-171). Begrippen als vertrouwen en autonomie, zoals u voorstelt, passen daar bij uitstek bij. Zie ook het pleidooi van Jelmer Evers en Rene Kneyber, die mede o.b.v. mijn hoofdstuk pleiten voor een ‘’cultuur van voortdurende dialoog’ (p. 275).

    2. Onbehagen: in mijn hoofdstuk wil ik aansluiten bij het gevoel van onbehagen in het onderwijs. De suggestie dat ik zou vinden dat er ‘gezeurd’ wordt in het onderwijs vind ik niet op zijn plaats. Dat onbehagen is reëel, erken ik en moet worden benoemd. Dat er zoveel aandacht is voor Het Alternatief is niet voor niks. Wat ik in mijn hoofdstuk heb proberen te doen, is een manier te schetsen om samen (leraren en schoolleiders) naar oplossingen en verbeteringen te zoeken. Namelijk: het overbruggen van ongefundeerde tegenstellingen die oplossingen en verbeteringen in dagelijkse schoolpraktijken in de weg staan en de positie van leraren niet ten goede komen.

    3. Schaalvergroting: ik ben het met u eens dat daar terechte zorgen over zijn. Tegelijk laten diverse onderzoeken geen eenduidig beeld zien van (effecten van) grootschaligheid. Interessanter dan die complexe discussie vind ik de vraag hoe schoolleiders en leraren er in weten te slagen om binnen grootschalige verbanden samen kleinschaligheid te organiseren. Daarmee wordt het vraagstuk van schaal meer een ‘organiseer-vraag’.

    4. In het licht van de schaalvraag: ik hecht er aan – en dat doe ik ook in mijn hoofdstuk in Het Alternatief – dat we ‘management’ (systeem) en ‘manager’ (individu dat daar deel van uitmaakt) scheiden. Ook is het belangrijk om ‘manager’ en ‘bestuur’ juist niet (alleen) te zien als feitelijke eenheid: bestuurders, schoolleiders, en bijv. team- en afdelingsleiders kunnen allemaal doorgaan als ‘manager’ of ‘schoolleider’, maar zijn in feite heel verschillende groepen. Tussen en binnen deze groepen bestaan soms grote verschillen in aanpak en de verhouding tot docenten. En soms hebben deze leidinggevenden ook ‘last’ van elkaar, overigens.

    Hopelijk heb ik met deze reactie een aantal van uw zorgen over de inhoud van mijn hoofdstuk weg weten te nemen.

    Graag bereid tot nader gesprek!

    Bas de Wit

  2. […] Het alternatief (2), Prick en De Wit en ‘kloofdenkers’? door Jan Lepeltak. 1 december 2013: https://www.learningfocus.nl […]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.