Verhalen

Het touwtje uit deur
(1) Leven in de naoorlogse pijp.

 

Hoe het touwtje verdween

In de Amsterdamse wijk waar ik ben opgegroeid, de buurt waar Jan Schaefer bakker was, waren touwtjes uit veel brievenbussen te vinden. Kwam dat omdat men elkaar als buur zo vertrouwde, er zo’n sterk gemeenschapsgevoel was? Of was hier ook iets anders aan de hand? Er was inderdaad er een zekere mate van vertrouwen, maar die ging niet zover dat men over elkaars huissleutel beschikte, zoals nu veelal wel het geval is. Wat er vooral eind jaren ’50 begin jaren ’60 volop was, was armoe.
Het touwtje uit de brievenbus hing vooral uit de gedeelde voordeur van het trappenhuis van etagewoningen en een enkele keer uit de deur van een benedenhuis. Dat kon want er werd niet ingebroken en gestolen, dat kwam weer omdat er niets te stelen viel.
Onze benedenbuurman was een katholieke kleermaker uit Bolsward en hij woonde op een driekamer woning met zijn gezin bestaande uit moeder, vier zonen en een dochter. In de zijkamer was het naaiatelier van de buurman. Dit betekende dat de zeven gezinsleden in twee kamers sliepen. Hoe zij dat precies deden is voor mij altijd een raadsel gebleven. Buurman werkte thuis in de zijkamer kleermakershouding op een groot plateau dat op ruim 1 meter boven de grond stond. Wekelijks bracht hij herenkleding naar zijn opdrachtgever. Het was een steile Fries die samen met zijn gezin zondags de kerk (eigenlijk een kapel) bezocht aan de Stadhouderskade. De benedenbuurman kwam mijn vader eens tegen toen deze de etage van een winkel met pikante boekjes bekeek. Hij keek mijn vader bestraffend aan waarop deze lachend antwoordde: “Het is thuis toch wel behelpen buurman” “Buurman u moet zich schamen” voegde hij mijn vader toe,.

Buurman stierf toen hij een vijftiger was aan maagkanker en het gezin moest alleen door. Wij hadden als enige telefoon. Toen het ziekenhuis belde met de boodschap dat de familie naar het ziekenhuis moest komen, vroeg moeder of ze later niet terug konden bellen want men was nog aan het eten. Een van de zonen greep in en zei genoeg en commandeerde dat ze nu meteen naar het Onze Lieven Vrouwengasthuis gingen.

Het Friese gezin beschikte over een aansluiting op de distributieradio, wat betekende dat men een luidspreker huurde die op een kabel was aangesloten en waarop men Hilversum 1 en 2 kon beluisteren. Verder bestond het interieur uit een dressoir, enkele stoelen en twee fauteuils, een tafel met tapijtje en een kooi met een kanarie. Ik kan me geen koelkast herinneren. De was werd nog met de hand gedaan. Er werden veel spelletjes gedaan waaraan ik vaak, als feitelijk enig kind (mijn oudere broers waren al de deur uit), mocht meedoen.
In veel gezinnen was de situatie in die tijd van wederopbouw weinig anders. Het begon pas te veranderen toen de eerste auto’s en met namen de eerste televisietoestellen begin jaren ’60 in de huizen begonnen te verschijnen. Een televisietoestel kostte toen rond de 1000,- gulden. Het inkomen van een arbeidersgezin was ca. 400,- gulden per maand netto. Hier kwam een kostbaar stok huisraad het gezin binnen. Het einde van het touwtjestijdperk brak aan.

Jan Lepeltak