Kleine scholen en kwaliteit gaan goed samen

Eind schooljaar 2014-2015 werd bekend dat in Friesland weer enkele tientallen kleine scholen zijn gesloten. Het is mijn overtuiging dat dat in veel gevallen niet nodig was. In dit artikel ga ik nader op de misverstanden over de relatie kleine school en kwaliteit. Wat we vaak zien is slordige argumentatie en procedures bij sommige besturen, de MR en de ouders die in een (te) laat stadium worden ingelicht, het ontbreken van onderzochte alternatieven. In dit artikel ga ik onderwijsinhoudelijk in op de kleine scholenproblematiek.  Sluiting hoeft geen kwestie van geld en kwaliteit te zijn. Smart inzet van ICT kan net zoals in Finland, Nieuw-Zeeland, Schotland en Canada voor oplossingen zorgen. Graag sta ik besturen en MR’s bij om te kijken naar de alternatieven en het voorkomen van conflictsituaties.
Tijdens een bijeenkomst, voorjaar 2014 in het Haagse Nieuwspoort, stelde Rinda den Besten, voorzitter van de PO-raad, dat één op de vijf basisscholen de komende jaren met  krimpproblematiek te maken krijgt. Het is vijf voor twaalf, stelde zij. De komende vijf jaar zitten tussen de 2000 en 2500 basisscholen in de gevarenzone. De kans van sluiting van elke kleine school is in principe reëel.

Sinds het advies van de onderwijsraad uit 2013[1], waarin werd voorgesteld om scholen met minder dan 150 leerlingen te sluiten, is de problematiek van de kleine scholen in krimpgebieden weer sterk in de belangstelling komen te staan. Regelmatig worden kleine scholen opgeheven, vaak onnodig. De overheid hanteert niet één opheffingsnorm, uitgezonderd de ultieme norm van 23 leerlingen.[2]

 

Men ziet in de literatuur dat vaak de  grens van 100 leerlingen wordt gebruikt voor het predicaat kleine school. Heeft men minder dan 50 leerlingen dan wordt gesproken van een zeer kleine school.[3]

Staatssecretaris Sander Dekker heeft in 2013 het genoemde advies van de Onderwijsraad met de 150 leerlingen ondergrens voor de opheffingsnorm niet overgenomen. De kleine scholentoeslag blijft voorlopig gehandhaafd. De staatssecretaris wil de schoolbesturen in een regio wel stimuleren tot samenwerken en het ontwikkelen van gezamenlijke voorstellen.  We zien dan dat er de afgelopen jaren sprake is van een fusiegolf onder met name de kleine schoolbesturen, de zogenoemde eenpitters.

Dat het advies van de Onderwijsraad veel kritische reacties opriep bij ouders en andere inwoners van dorpen en buurtschappen is niet verwonderlijk. Het verdwijnen van een kleine school, vaak de enige school in een gemeenschap, levert veel emoties op.  Op de sociale aspecten zal hier niet uitgebreid ingegaan worden. We kennen de Franse spookdorpen waarbij eerst de bakker, dan het café en uiteindelijk de school verdwijnen. Dorpen waar een groot deel van de huizen is dichtgespijkerd.

 

Positie ouders en MR
Vaak worden ouders/opvoeders niet of onvoldoende bij de beleidsvorming en/of besluitvorming van het schoolbestuur rond de kleine school betrokken. Het gaat om besluiten die voor kleine scholen en de betrokkenen in de gemeenschap vaak grote gevolgen hebben. Toch kunnen de ouders via de Medezeggenschapsraad (MR) meer te zeggen hebben dan ze zich vaak realiseren. In ieder geval dienen ouders/opvoeders bij verandering in het onderwijsconcept en wanneer fusie of sluiting aan de orde is, daar via de MR instemming aan te verlenen. In de praktijk gaat het ook om gevallen waarbij de opheffingsnorm niet is bereikt en er ook financieel binnen een bestuur voldoende ruimte is.

Ook blijkt dat wettelijk voorgeschreven procedures en tijdslijnen vaak niet door besturen zijn gevolgd. In  sommige gevallen leidt dit uiteindelijk tot een zaak die door de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet Medezeggenschap op Scholen wordt behandeld.  Bij het besluit van een bestuur om over te gaan tot fusie of opheffing van een school spelen juridische, financiële en onderwijsinhoudelijke argumenten van het bestuur doorgaans een belangrijke rol.  Bij fusie heeft de MR een instemmingsrecht. [4]
In dit rapport zal het verder vooral om de onderwijskundige aspecten gaan.

 

Aspecten van de kleine school

Bij dreigende schoolsluiting speelt een aantal aspecten een rol zoals:

  1. De beleidsvisie en onderwijsvisie van een bestuur op het onderwijs in het algemeen en op een of meer scholen die onder het bestuur vallen in het bijzonder.  Wijziging van een onderwijsconcept binnen een school kan niet zonder instemming van de MR.
  2. Juridische aspecten. Het gaat om de toetsing van de gevolgde procedures en de rol die de MR vanuit de wetgever toekomt. Hier gaat het in de praktijk ook regelmatig fout.
  3. Financiële aspecten.  Deze worden zelden als eerste genoemd, maar spelen toch vaak een rol in de argumentatie: het zou allemaal te duur worden.
  4. Rol van het management. Het kan gaan om een bovenschools directeur en/of locatiedirecteuren. In veel gevallen bevinden schoolleiders zich in een spagaat van loyaliteit aan ouders/dorpsgemeenschap enerzijds en het bestuur (het bevoegd gezag) anderzijds.
  5. Onderwijskwaliteit. Bezorgdheid over de onderwijskwaliteit of de handhaving ervan op een kleine school is een overheersend argument voor besturen om scholen te fuseren of op te heffen.  Daarbij speelt de klassengrootte en het samenvoegen van jaargroepen een rol. Gemengde jaargroepen hoeven echter geen bedreiging te zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. Er zijn ook onderwijskundige argumenten om het systeem van jaargroepen te doorbreken. Maar differentiatie, ook bij traditionele jaargroepen, eist van de leraar de nodige competenties.

Op de onderwijskundige aspecten zal nu nader worden ingegaan.


De kleine school en de onderwijsvisie

De onderwijsvisie en het bijbehorende onderwijsconcept spelen bij veel recente gestichte scholen een belangrijke rol, soms nog meer dan de denominatie (Rooms-Katholiek, gereformeerd, openbaar).  Zo zien we dat als een Jenaplanschool moet fuseren met een christelijke, traditionele basisschool dat als gevolg heeft dat de typische aanpak van zo’n erkende reformschool verdwijnt.  Ouders kiezen vaak bewust voor bijvoorbeeld Montessori-, Freinet-, Dalton- of Jenaplanonderwijs. De leraren hebben hiervoor extra diploma’s behaald. De onderwijsvisie en het bijbehorende concept vormen net als de denominatie een valide argument om een kleine school open te houden als er geen alternatief is. Een argument dat afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de school kan worden ingebracht.

 

De kleine school en kwaliteit

Schoolbesturen beweren meestal niet dat sluiting of fusie vooral is ingegeven door financiële overwegingen. Vaak stelt men wel dat een kleine school ‘duur’ is. Doorgaans worden onderwijsargumenten gehanteerd. Men meent dat men de kwaliteit van het onderwijs (op termijn) niet kan garanderen. Natuurlijk zijn er zwakke kleine scholen, maar juist evenzeer zijn er grote zwakke scholen en daar geldt ook niet voor dat men die dan sluit. In hun onderzoeksrapport geven de onderzoekers Faber c.s. (Universiteit van Twente) handvaten voor verbetering.[5]

Het begrip kwaliteit kent twee aspecten. Men spreekt van cognitieve leeropbrengsten: wat wordt er feitelijk geleerd in termen van bijvoorbeeld taal en rekenen. Het tweede aspect betreft het pedagogisch klimaat van de school  (het welbevinden en de sociale ontwikkeling van de leerling).

De belangrijkste conclusie in diverse onderzoeken is dat er voor het basisonderwijs geen verband bestaat tussen schoolgrootte en kwaliteit. Sterker nog, als het gaat om het pedagogisch klimaat op een kleine school zien we dat daar vaak voordelen worden geconstateerd, wat zich onder meer uit in het welbevinden van zowel de leerlingen als de leerkrachten (een relatief laag ziekteverzuim).

Wat zegt onderzoek ons in dit geval? In 2013 is een metastudie rond de effecten van schoolgrootte uitgevoerd door onderzoekers van o.a. de Universiteit Twente.[6] Deze studie onder eindredactie van Luyten vond plaats in opdracht van NWO (de stichting voor Nederlands Wetenschappelijk Onderzoek). In deze studie werden tientallen studies en (meta)studies in binnen- en buitenland van de laatste vijftien jaar beoordeeld en samengevat.

De belangrijkste bevindingen uit het onderzoek van Luyten c.s. voor kleine scholen in het basisonderwijs zijn de volgende:

  1. Er is geen relatie gevonden tussen cognitieve leeropbrengsten en schoolgrootte. Dus kleine scholen zijn in dit opzicht niet zwakker of beter dan grotere scholen.
  2. Men ziet een positieve relatie bij de pedagogische en didactische opbrengsten. Dat uit zich in de volgende zaken:
  • Er bestaat een groter gevoel van gemeenschap in kleine scholen onder de leerlingen en docenten
  • Er is een groter gevoel van identificatie met de school: ‘Het is onze school’
  • De persoonlijke relaties tussen leerlingen onderling en leraren en de ouders zijn sterker
  • Leraren kennen hun leerlingen goed
  • Er is sprake van een aanzienlijk lager ziekteverzuim onder de leerkrachten dan bij de grotere scholen. (Als er sprake is van ziekteverzuim gaat om langere tijd in verband met de ernst van de ziekte.[7])

Een ander recent onderzoek van Deunk en Doolaard[8] van de Rijks Universiteit Groningen (RUG) is in 2014 gepubliceerd. Het ging hierbij om de effecten van de kleine school op leerlingen en de lokale omgeving.  Deze onderzoekers zijn wat voorzichtiger. Ze stellen dat het bij een groot deel van het onderzoek ging om een klein aantal scholen. Ze geven aan dat er wel een indicatie is dat schoolgrootte geen bepalende factor is in de kwaliteit van het onderwijs maar dat meer onderzoek noodzakelijk is.

Hoofdinspecteur voor het primair onderwijs Arnold Jonk stelde in een bijeenkomst in Nieuwspoort op 1 april 2014 dat er goede kleine scholen en zwakke grote scholen bestaan en andersom. Een directe causale relatie tussen schoolgrootte en kwaliteit is niet te leggen. Differentiatie is voor kleine scholen wel een extra uitdaging omdat er gewerkt moet worden met combinatiegroepen. De praktijk leert echter dat werken met gecombineerde jaargroepen wel kan. Dat blijkt onder meer uit het feit dat in 2013 20% van de excellente scholen een kleine school betreft en dat 2/3 van de scholen in krimpgebieden die het predicaat excellent van ministerie van OCW ontvingen kleine scholen zijn (minder dan 100 leerlingen).[9]

De afname van het aantal kleine zwakke scholen in krimpgebieden zette ook in het schooljaar 2013-2014 door. Uit een overzicht van de onderwijsinspectie (december 2014) blijkt dat de meeste zwakke scholen (75%) niet in krimpgebieden gevestigd zijn. Uitgezonderd Friesland en enkele scholen op de Wadden).  Van de vijftien zeer zwakke scholen in Nederland bevinden er zich elf in de (grote) steden, slechts vier zijn een kleine school.[10]

Wel constateert de inspectie dat de kleine school kwetsbaar is. Veel taken worden door een klein aantal leerkrachten uitgevoerd. Vaak ziet men dat op kleine scholen die de aantekening zwak ontvangen en onder intensief inspectietoezicht staan er sprake is van lerarenwisselingen in verband met vervanging door langdurige ziekte.

 

Wat kan de MR doen?

De MR van een kleine school in een krimpgebied valt aan te raden al in een vroegtijdig stadium plannen te maken voor het voortbestaan van de school.  Wanneer dit in samenspraak met het bestuur mogelijk is, kan veel winst worden bereikt.
Op twee onderwijsinhoudelijke uitdagingen waarvoor de kleine school zich gesteld ziet, zal nu nader worden ingegaan. Het gaat om het differentiëren in relatie tot de jaargroepen en de inzet van Informatie- en CommunicatieTechnologie (ICT).

Veel scholen werken nog in het jaargroepensysteem. Dat geldt niet voor specifieke scholen zoals de Montessorischolen, waar de jaargroepen zijn samengevoegd en de school is verdeeld in een onder- , midden- en bovenbouw.

Er wordt vaak vanuit gegaan dat het lesgeven aan een ‘homogene’ jaargroep makkelijker is voor een leraar. Dat is maar de vraag. Het gebruik van de term homogene groep is, als men het over een jaargroep heeft,  verwarrend. Homogeen kan slaan op de leeftijd, maar ook binnen zo’n jaargroep kunnen de verschillen groot zijn. Dus behalve de leeftijd is er van homogeniteit nauwelijks sprake. Het traditionele onderwijs in jaargroepen gaat uit van ‘one fits all’. Het is de vraag of daar genoeg ruimte is voor het omgaan met verschillen.

Zorgbreedte, onderwijs op maat, omgaan met verschillen, passend onderwijs en gepersonaliseerd leren zijn inmiddels belangrijke aandachtspunten in ons onderwijs. Het zijn zaken waar de onderwijsinspectie nadrukkelijk aandacht aan besteedt.

Vanuit de onderwijskunde wordt werken in heterogene groepen bepleit omdat die de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen en de leerresultaten van zwakke risicoleerlingen verbeteren. Zie de studie van Dr.Kees Vernooij[11].

Bij zorgleerlingen kan het gaan om zeer goede (‘excellente’) leerlingen, die men door extra stof- en/of begeleiding de mogelijkheid geeft zich verder te ontplooien, dan wel om leerlingen die op bepaalde terreinen wat extra aandacht kunnen gebruiken. Het werken binnen heterogene groepen (dus ook de traditionele jaargroepen) vergt een andere didactische aanpak dan bij klassikaal lesgeven.  Daarop zal de school bij professionalisering dienen in te zetten.

 

Onderwijsdelen

Op basis van onderzoek wordt algemeen aangenomen dat samenwerkend leren en computerondersteund samenwerkend leren een positief leereffect oplevert.

Uit een groot aantal studies van de afgelopen 15 jaar, waarbij samenwerkende vormen van leren werden vergeleken met competitieve en individuele instructie en leren in klassikaal verband, bleek dat samenwerkend leren kwalitatief betere leerresultaten oplevert, zowel wat leeropbrengst betreft als qua motivatie en houding van de leerling.

Men nam ook waar dat leerlingen die onder bepaalde voorwaarden in kleine groepen werken, aanzienlijk meer bereikten dan de leerlingen die individueel werken. Groepen van drie tot vier leerlingen met lagere studievaardigheden werkten het best in gemengde groepen.[12]

Samenwerkend leren kan goed worden ondersteund met inzet van ICT. Het belang van samenwerkend leren, de positieve leereffecten daarvan, en de mogelijkheden die ICT biedt, worden inmiddels op basis van wetenschappelijk onderzoek  algemeen erkend. [13]

 

ICT
Nederland behoort tot de landen met het hoogste aantal internetaansluitingen in Europa. Al onze scholen hebben toegang tot internet.  De vraag is of er optimaal van de mogelijkheden die de ICT biedt,  zoals e-learning, sociale media en vormen van afstandsonderwijs, gebruik wordt gemaakt.

De situatie van de Nederlandse kleine scholen is niet uniek. In andere delen van Europa, zoals bijvoorbeeld de Scandinavische landen en het Verenigd Koninkrijk, is ook sprake van kleine rurale scholen. Kleine scholen kunnen bestaan omdat op slimme wijze ICT wordt ingezet om onderwijs te delen, content te gebruiken en met andere kleine scholen, ouders en organisaties samen te werken. Het Verenigd Koninkrijk kent bijvoorbeeld de National Association for Small Schools (NASS) [14]. In het Verenigd Koninkrijk zien we ook voorbeelden van ook kleine scholen die het goed doen.
Bij het versterken van de kwaliteit kan het gaan om allerlei zaken, zoals het verbeteren van de zorgbreedte binnen de school voor met name zeer sterke en zeer zwakke leerlingen. Door de geringe omvang van de groepen is differentiëren en flexibiliseren voor een kleine school soms problematisch. ICT kan worden gebruikt door onderwijs te delen met enkele andere kleine scholen.

Ouders kunnen leerlingen die een (digitaal) leergroepje vormen, begeleiden naar een special e-learningruimte en zorgen dat alles daar naar wens gaat.  De eigen gastdocent of de interne begeleider werkt met enkele groepjes van drie scholen tegelijk terwijl de eigen meester of juf met ‘de les’ kan doorgaan.

Met name als het gaat om differentiëren en onderwijs op maat zijn er inmiddels er steeds meer bruikbare adaptieve programma’s beschikbaar die gepersonaliseerd leren mogelijk maken. Denk aan Rekentuin en Taaltuin.

Het ontwikkelen van leerarrangementen voor een kleine school, met inzet van ICT, is maatwerk waarbij professionalisering (kennis van ICT en didactiek), collegiale samenwerking en onderwijskundig leiderschap een belangrijke rol spelen.

Bij het ontsluiten en arrangeren van educatieve digital content, kunnen leraren in opleiding worden ingeschakeld. Inmiddels is er al de nodige ervaring opgedaan met het on-line begeleiden van groepen leerlingen. Deze ervaring kan in de context van kleine scholen in krimpgebieden worden ingezet, zoals de internationaal veel toegepaste 5 stappenmethodiek van prof. dr. Gilly Salmon die zij ontwikkelde voor de Open University (UK)[15]. Deze is met succes in het project de Waddencampus tijdens mijn lectoraat aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden NHL toegepast.[16]

 

Conclusie

Volgens prof. dr. Stephen Heppell, moet de kleine school eigenlijk de norm zijn.
Tijdens zijn lezing op 26 maart 2013 over krimp en kleine scholen stelde deze internationaal gewaardeerde onderwijsonderzoeker (sinds januari 2014 voorzitter van de Educational Technology Action Group (ETAG), een adviesgroep van de Engelse regering), na enig aandringen dat onderwijskundig gezien de ondergrens wat hem betreft op vier leerlingen zou liggen.[17]

Elke kleine school is anders. Een aantal onderwijsfactoren speelt daarbij een rol. We denken aan de grondslag van de school. Naast de denominatie speelt ook het onderwijsconcept een rol. De beoordeling van de onderwijsinspectie weegt zwaar in de besluitvorming van een schoolbestuur. Het periodieke inspectierapport moet daarom goed tegen het licht gehouden worden. Wat zijn de sterke punten van de school en waar moet aan gewerkt worden? Hoe gaat het team, met hulp van het bestuur dat aanpakken?
Diverse externe factoren zoals ziekte van de leerkrachten een directeurswisseling, het gebruik van nieuwe methodes, relatie met het schoolbestuur kunnen bij de beoordeling een rol spelen.

Deze dienen allemaal door de betrokkenen via de MR meegenomen te worden.

Idealiter zouden de ouders/verzorgers van een kleine school in een vroeg stadium bij de besluitvorming van een schoolbestuur betrokken moeten worden. Gezamenlijk kan dan gekeken worden naar eigentijdse oplossingen en alternatieven, waardoor een kleine school vaak toch open kan blijven.  Maar ook als een bestuur fouten maakt kan de MR de school openhouden door tijdig ingrijpen. Alleen de MR kan in dat geval sluiting van de school nog voorkomen.
De praktijk is vaak anders. Beslissingen zijn soms al genomen. Door middel van een informatieavond of een brief op de mat worden ouders/verzorgers ingelicht over een voorgenomen studie of sluiting. Wettelijk voorgeschreven procedures worden dan niet gevolgd. Uitgangspunt is vaak dat kleine scholen minder kwaliteit bieden. Hierbij wordt ten onrechte een relatie gelegd tussen een schoolgrootte en leerprestaties en kwaliteit.
In deze notitie ben ik in algemene zin ingegaan op enkele veel voorkomende aspecten van krimp. Een goed advies is uiteindelijk maatwerk. Men kan alleen komen tot een bruikbaar juridisch en onderwijskundig advies of MR-besluit over een (voorgenomen) bestuur beslissing als alle aspecten die daarbij een rol spelen zijn meegenomen. Daarbij is het voor alle betrokkenen al in een zo vroeg mogelijk stadium gezamenlijk te onderzoeken hoe een kleine school kan voortbestaan. Daarbij gaat het naast de financiële en juridische aspecten ook  om onderwijskundige advisering met betrekking tot innovatie en professionalisering.

Drs. J.C.Lepeltak

Onafhankelijk onderwijsadviseur 06 5392 7287
Oud-lector a/d lerarenopleiding van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden (NHL)

j.lepeltak@learningfocus.nl
www.learningfocus.nl

 

Noten:



[1] Onderwijsraad. Grenzen aan kleine scholen. Sterk en pluriform onderwijs in tijden van krimp. Den Haag, 2013.

[2] Voor elke school wordt door OCW een formule toegepast waarin factoren als de grootte van de gemeente,  de leerlingendichtheid en het aantal basisscholen, een rol spelen.

Als men onder de vastgestelde norm komt dan kan er onder voorwaarden een beroep worden gedaan op een artikel waarmee men een uitzonderingssituatie claimt. Hiervoor geldt o.a. dat de school de laatste school van de richting is binnen een straal van 5 kilometer en ten minste 50 leerlingen heeft. In het geval van een school waarin meerdere richtingen zijn ondergebracht, zoals een interconfessionele of een rk/pc school, mag voor de bepaling van de dichtstbijzijnde school van dezelfde richting de afstand worden gerekend naar de meest gunstige van de betrokken richtingen. Of het betreft de enige openbare basisschool binnen 10 kilometer over de weg gemeten.

[3] J.Faber e.a. Handvatten voor effectief onderwijs in kleine scholen. Universiteit Twente 2013.

 

[4] In een aantal zaken waarbij een (kleine) school geconfronteerd werd met een voorgenomen fusie of opheffing en ondergetekende als onderwijskundige geadviseerd heeft over de kwaliteit en het onderwijsconcept van de school, heeft mr. Dik Berkhout de belangen van de MR en de school met succes behartigd.

[5]  J.Faber e.a. Handvatten voor effectief onderwijs in kleine scholen. Universiteit Twente 2013.

 

[6] Hans Luyten (Ed.) School size effects revisited* A qualitative and quantitative review of the research evidence in primary and secondary education. Den Haag, 2013.

[7] CAOP-rapport Stijgend ziekteverzuim in het primair onderwijs. Onderzoek naar oorzaken en maatregelen. Den Haag 2012

[8]  M.I.Deunk en S.Doolaard. Onderwijs op kleine scholen. Een systematische review naar de effecten van kleine scholen op leerlingen, leerkrachten, de school en de lokale omgeving. Groningen, 2014.7

 

[11] Kees Vernooij. (2009) Omgaan met verschillen nader bekeken. Wat werkt? In: http://www.onderwijsmaakjesamen.nl/actueel/omgaan-met-verschillen-nader-bekeken-wat-werkt/

[12] Susan M. Williams The Meteri Group The Impact of Collaborative, Scaffolded Learning in K-12 Schools: A Meta-Analysis. Los Angeles 2009

[13] Zie Jos Fransen. Teaming up for Learning. Team Effectiveness in Collaborative Learning. OU, Maastricht 2012. Dissertatie.

[15] Zie voor 5 stappenmethode van Gilly Salmon: David Jacques and Gilly Salmon. Learning in Groups. A Handbook for face-to-face and online environments. 4th ed. New York 2007. P.43

[16] Zie een artikel over de Waddencampus in het NRC-Handelsblad van 26 april 2008: http://www.learningfocus.nl/wp-content/uploads/2012/12/NRC-artikel_april_2008.jpg

4 reacties op “Kleine scholen en kwaliteit gaan goed samen”

  1. [...] een prima voedingsbodem voor innovatieve, smart leren oplossingen biedt. Zie ook mijn artikel http://www.learningfocus.nl/2015/03/03/kleine-scholen-en-kwaliteit-gaan-goed-samen/ . Je moet constateren dat in de nu bekende verkiezingsprogramma’s de kleine school in de steek [...]

  2. [...] een prima voedingsbodem voor innovatieve, smart leren oplossingen biedt. Zie ook mijn artikel http://www.learningfocus.nl/2015/03/03/kleine-scholen-en-kwaliteit-gaan-goed-samen/ . Je moet constateren dat in de nu bekende verkiezingsprogramma’s de kleine school in de steek [...]

  3. [...] Lees ook: Kleine scholen en kwaliteit gaan goed samen [...]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>