LearningFocus. Adviseert, ontwerpt en ontwikkelt.

Samen werken aan leerprocessen. Lees meer over LearningFocus »

Hoe het vertrek van Prof.Frits Staal de filosofie in NL veranderde

Reageer »

 

books-of-frits-staal

Max Pam ging recent in een column in de Volkskrant in op de persoon en het belang van Staal als taalkundige en filosoof. Het vertrek van Staal uit Nederland had cultuurfilosofisch grote negatieve gevolgen.

Eind jaren ’90 had ik een bijzonder interessant gesprek in het Amsterdamse café de Zwart over de filosofie in Nederland met de inmiddels overleden literatuurcriticus en uitgever Antonie Mertens (1946-2009), en A.F.Th. van der Heijden, een van zijn auteurs.
Ik kende Antonie Mertens nog van mijn studie. Het gesprek ging over de staat van de filosofie in ons land en met name de kwestie Staal, die zich in de tweede helft van jaren ’60 aan de Universiteit van Amsterdam had afgespeeld. De Amsterdamse hoogleraar Frits Staal (1930-2012) werd het middelpunt van een affaire. Staal gold als een eminent en veelzijdig geleerde. Hij studeerde wis- en natuurkunde en filosofie, logica, Indiase filosofie, linguïstiek en Sanskriet.  Een geruchtmakend artikel in de Gids van 1967 was de bron van de controverse. Staal stelde in zijn Gidsartikel namelijk dat filosofie en ook metafysica het onderwerp van wetenschappelijk onderzoek kunnen zijn.  Hij gaf aan dat er in de hedendaagse filosofie uitspraken gebezigd worden die echter geen zinvolle filosofie opleveren. Uitspraken als “Das Nichts nichtet” (Heidegger) zijn op geen enkele wijze te onderzoeken of te verifiëren en daarom zinloos. Staal’s opmerkingen over Heidegger en andere continentale (Duitse en Franse) wijsgeren werden hem door niet-analytisch ingestelde filosofen niet in dank afgenomen en leidden tot een hoog oplopende ruzie met zijn collega en voormalig docent Duits  de hoogleraar Jan Aler (1910-1992). Aler schreef zijn proefschrift bij Heidegger (een actieve nazi en antisemiet) maar promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam in 1947. Waarschijnlijk omdat Heidegger toen nog een beroepsverbod had.
Staal vertrok uiteindelijk na de nodige pesterijen naar de VS waar hij een mooie carrière opbouwde. Hij was o.a. hoogleraar aan het MIT en later de University of California in Berkeley.

Mertens maakte tijdens ons gesprek een opmerking die mij altijd is bijgebleven. Door het vertrek van Staal zijn we in Nederland een geheel andere kant uit gegaan.  De continentale filosofie, met wortels in het Duits idealisme werd dominant. Zelfs het gerenommeerde Instituut voor Grondslagenonderzoek en Filosofie der Exacte Wetenschappen, opgericht door de internationaal bekende wiskundige en filosoof Evert Beth, verdween.

 

Bij het overlijden van René Franquinet

Reageer »

 

Foto: Met dank aan Ramon Moorlag

Foto: Met dank aan Ramon Moorlag

 

Midden jaren ’80 heb ik René Franquinet leren kennen tijdens de eerste NIOC-conferentie (Nederlandse Informatica en Onderwijs Conferentie) die werd gehouden in Maastricht. René was de enige Neerlandicus die mijn presentatie bijwoonde. Deze ontmoeting was het begin van een jarenlange, vriendschappelijke samenwerking.

René was een erudiet en veelzijdig mens, een pionier op het terrein van de informatica in het voortgezet onderwijs. Hij behoorde tot de eerste die de zware 1e graads nascholing informatica met succes volgde en was waarschijnlijk ook de eerste leraar Nederlands die het diploma haalde.

Onze samenwerking betrof vooral zijn redacteurschap van het maandblad Computers op School. Door de scrupuleuze wijze waarop hij zijn rubriek verzorgde en de eindredactie voor zijn rekening nam, was hij een belangrijke steunpilaar.
René was een heer, die met zijn charmante eloquentie iedereen voor zich innam.  Van pensionering was bij hem geen sprake. Na onze gezamenlijke Computers op Schoolperiode (die zeker 15 jaar in beslag nam) was hij betrokken bij de vernieuwing van het onderwijs o.a. in de vereniging I&I , de veldvereniging voor informaticadocenten, waarin hij verschillende bestuursfuncties bekleedde. Verder maakt hij ook deel uit van onze maatschap die enkele jaren bestond.

Na zijn pensionering als leraar Nederlands en informatica bleef hij actief.  Zowel in de Onderwijscoöperatie, waarover we vaak heerlijk konden discussiëren en van mening verschillen, als binnen de vereniging I&I. René hield ook van het goede leven. Hij en Corry hielden van Venetië waar ze regelmatig kwamen.  We wisselden graag ervaringen over onze geliefde Italiaanse keuken uit.  Ik kan me ook herinneren dat we begin deze eeuw met onze echtgenotes een uitstekend Italiaans restaurant in Berlijn bezochten dat Rene kende.   Hij zocht voor onze redactiereünies altijd het restaurant uit.  Ons Computers op School reüniegroepje dat bestonde uit Frits, Tessa, John en Rene  wordt nu na het verscheiden van John en Rene wel steeds kleiner.

Het voor ons plotselinge overlijden van Rene kwam als een schok. We wensen Corry en de familie veel sterkte. We zullen hem missen.

Waarom het aantal “dyslectici” schrikbarend toeneemt

Reageer »
ICT

 

Prof.dr.Anna Bosman
Prof.dr.Anna Bosman

Onderstaand blog is door mij geschreven voor de I-zine www.komenskypost.nl . Doordat andere media het blog overnamen onderstond er landelijke aandacht voor de sterke groei van dyslexie in Nederland. Het resulteerde o.m. in een openingsitem van het NOS-journaal en een optreden van Prof.Bosman in RTL-late night.

Was in Nederland in 2007 nog 1,6% van de leerlingen officieel dyslectisch in 2015 was dit aantal gegroeid tot 10,5%. Anna Bosman (hoogleraar ‘Dynamiek van leren en ontwikkeling’) hield een glashelder, nuchter verhaal over dyslexie tijdens ResearchEd. Hier kwamen praktijk en onderzoek voorbeeldig samen.

Bij leren lezen en spellen speelt de aanleg van de lezer/speller een rol. Een grotere rol spelen de eigenschappen van de geschreven taal (de relatie van het grafeem/schrijfteken met de klank). De belangrijkste rol speelt de kwaliteit van de instructie. Anna Bosman ontmythologiseert op basis van wetenschappelijk onderzoek een aantal vastgeroeste opvattingen. We zetten ze even op een rijtje:

- Er is geen relatie tussen gender en dyslexie.

- Intelligentie speelt bij leren lezen en spellen nauwelijks een rol.

- Er is geen noemenswaardige samenhang tussen het geheugen / de executieve functies en kunnen spellen en lezen.

- Dialectsprekers zijn soms in het nadeel en soms in het voordeel.

- Een visuele beperking speelt nauwelijks een rol. Al geven visueel beperkten, als dat nog kan, de voorkeur aan een te lezen tekst in plaats van braille. Het hebben van een auditieve beperking is daarentegen wel een groot nadeel.

- Eigenschappen van een (geschreven) taal spelen ook een rol.  Als de schrijfwijze/spelling consistent is dan heeft dat een gunstig effect, zoals bij het Fins in tegenstelling tot het Engels bijvoorbeeld. In het Nederlands is met name de werkwoordspelling een probleem.

Maar hoe zit het nu met de diagnose dyslexie en dyscalculie? De volgende criteria worden gebruikt bij het vaststellen van dyslexie:

  1. Het discrepantiecriterium. De resultaten zijn significant minder dan het IQ. Dit is een heel twijfelachtig criterium. Als je nooit goed spellingonderwijs hebt genoten dan kun je met dat IQ niets uit.
  2. Het exclusiecriterium. Als je verder geen enkele andere stoornis hebt die verantwoordelijk zou kunnen zijn. Vgl. auditieve stoornis.
  3. Het ernstcriterium. Als je achterstand substantieel is (bijvoorbeeld gebaseerd op de CITO-normen)
  4. Resistentiecriterium. Ondanks uitgebreide remediering (bijv. na 6 maanden) is er geen vooruitgang te zien.

Kortom de criteria rammelen soms. Anna Bosman zei het niet maar het hele commerciële circus rond dyslexie speelt ook een rol

Prof. Bosman kwam in aanraking met Douwe Sikkes, een leraar die op zijn basisschool geweldige resultaten boekte met zijn didactische aanpak van het rekenonderwijs, “Zo leer je kinderen rekenen”. Uit haar onderzoek bleek dat hij in 6 weken tijd een rekenachterstand van 2 jaar kon wegwerken. Ook heeft ze de methodiek voor lezen en spellen van José Schraven onderzocht. Op haar site kunt u hiervan de resultaten zien. Schraven’s “Zo Leer je Kinderen Lezen en Spellen” (ZLKLS) is voor een beperkt bedrag te bestellen en levert geweldige resultaten op. Meer dan de helft van haar leerlingen haalden de hoogste testscores. De laagste scores (zogenaamde ‘dyslectische leerlingen) kwamen nauwelijks meer voor. Zie voor de getallen haar site en kijk  bij presentaties voor professionals in de praktijk http://www.annabosman.eu/.

Goed opgeleide leraren dienen volgens Bosman te beschikken over inhoudelijke vakkennis, kennis van leerprocessen, effectief klassemanagement, relationele en didactische vaardigheden. De leerlingen moeten de docent goed kunnen zien; daar dient bij opstelling in het lokaal rekening mee te worden gehouden. Begin met klassikale, directe instructie + begeleide oefening (ca. 25 min.) Daarna volgt de individuele verwerking op niveau waarbij de leerkracht rondloopt, controleert en feedback geeft (ca. 25 min).

Bosman vindt het belangrijk dat ICT sterk wordt beperkt in onderbouw. Kinderen leren met hun hele lichaam (zoals Jelle Jolles ook in zijn boek stelt). Interactie met elkaar, samenwerkend leren dus, bevordert de cognitieve en sociale ontwikkeling. Een jong kind kan men dus niet lang achter de iPad laten werken. Voorkom in je educatieve software het gokken. Daar leert men niets van. Koppel feedback direct aan uitleg.

De eindconclusie van Anna Bosman: de leraar is onvervangbaar en onbetaalbaar.


Wel of niet programmeren in de basisschool?

Reageer »
ICTInformaticarobotica

DSC07064

Deze vraag wordt vaak gesteld en de antwoorden zijn verschillend.  Er zijn goede argumenten om met coding en computational thinking (CT) in het basisonderwijs te beginnen. Maar er zijn evenzogoed valide argumenten om dat nog niet te doen.

Door Jan Lepeltak

Laat een ding duidelijk zijn: leerlingen moeten in ieder geval vanaf het begin van het voortgezet onderwijs met CT in het curriculum in aanraking komen. Dat er nog geen enkel zicht is op wanneer dat gaat gebeuren is onbegrijpelijk en onverantwoord. In dit artikel ga ik in op de argumenten voor en tegen coding en computational thinking (wat niet hetzelfde is als coding).
Toch eerst een stukje geschiedenis. Je politiek verantwoorden met verwijzing naar Dijsselbloem (‘het moet uit het veld komen’) is een handige truc met beperkte houdbaarheid. Er waren in het verleden gelukkig politici die wel over visie, durf en daadkracht beschikten. Sander Dekker zet een VVD-traditie voort. Zijn voorganger Luuk Hermans sprak in een interview dat ik in 1999 met hem had over brede invoering van internet in het onderwijs steeds over eerst een noodzakelijk nut en noodzaakdiscussie. Het was de vermaledijde onderwijsminister Deetman (die zelf uit bestuurlijk onderwijsland kwam) die adviezen over kleinschalige pilots in de jaren ’80 naast zich neerlegde. (meer…)

(Edu)meetups, bijeenkomsten van en door leraren georganiseerd

2 reacties
CommunicatieDidactiekICTlerarenPresentatiesProfessionalisering

Rotterdam hielp Amsterdam enige tijd gelden met een interessant initiatief. In navolging en met gebruikmaking van de ervaringen van de succesvolle Meetups010 bijeenkomsten in de grote havenstad aan de Maas vond de eerste meetup020 in Amsterdam plaats.
Even ter vergelijking: bij de raadpleging rond Onderwijs2032 in de Amsterdamse Balie waren ca. 35 personen aanwezig, waarvan ongeveer 15 personen die voor de klas stonden en zeker vijf personen tot de organisatie behoorden.  De raadpleging was georganiseerd door de Onderwijscoöperatie ( ‘Van, voor en door de leraar’).
Hoe anders was de situatie in het schoolgebouw van het nieuwe Cartesius2 Lyceum (enkele jaren geleden nog thuishaven van circus Elleboog).  Meetup020 werd afgelopen dinsdagavond door bijna 70 personen bezocht.  Men moest de inschrijving vanwege de grote belangstelling stop zetten. Van de aanwezigen was veruit de meerderheid leraar.

“Het belangrijkste adagium van Frans is, blijf onafhankelijk en laat je niet betalen door de gemeente of wie dan ook. Eerst krijg je wat geld en al gauw verwacht men wederdiensten.”

De bedoeling van deze informele,  door onderwijsmensen georganiseerde bijeenkomsten,  is vooral ervaring en kennis delen. Maar ook discussiëren over nieuwe ideeën, plannen et cetera. Inmiddels schieten deze succesvolle bijeenkomsten als paddenstoelen uit de grond. Ze vormen de bewijzen van een nieuwe trends waarbij ‘ongeorganiseerd’  bijeenkomsten door groepen betrokkenen worden georganiseerd rond zelf ingebrachte thema’s. (meer…)

Wat is het verschil tussen coding en computational thinking?

2 reacties
codingDidactiekICTInformaticarobotica

 

Workshops Robopal

Workshops Robopal

In de codeweek die onlangs werd gehouden lag de nadruk sterk op programmeren. Programmeren is niet hetzelfde als computational thinking (CT). De vraag die men vaak hoort is of programmeren/coding wel thuis hoort in het programma van de basisschool? Als kinderen dat leuk vinden, waarom niet? Er zijn meer zaken leuk die belangrijk lijken en die niet meer bestaan, zoals schoolzwemmen bijvoorbeeld. Vraag is hoe zou een CT-leerplan dat meer is dan puur coding eruit kunnen zien?

Door Jan Lepeltak

De didactiek voor programmeren heeft een lange voorgeschiedenis en begint bij de dit jaar overleden Seymour Papert (hoogleraar aan het medialab van het MIT). Papert ontwikkelde samen met anderen de programmeertaal Logo in de jaren ‘70/’80 van de vorige eeuw. Een kernidee was dat leerlingen kennis ontwikkelen in interactie met de fysieke wereld waarin ze zich bevinden. Dat kan ook gelden voor computers. In de oertijd van Logo leerden kinderen hoe ze een virtuele of fysieke schildpad kunnen aansturen (lees programmeren). Uitgangspunt van Papert was dat kinderen leren ‘in control’ te zijn van de computers en niet andersom.

Het concept van CT kan gezien worden als een verdere verdieping van de ideeën rond programmeren in het onderwijs en past goed in de traditie van Logo en de Maker Educatie. Niet verwonderlijk  als men weet dat Mitchell Resnick, die met zijn MIT-medialabteam Scratch ontwikkelde, een leerling is van Papert.
Jeanet Wing, voormalig hoogleraar computerwetenschap aan de Carnegie Mellon University introduceerde het begrip CT in 2006. Volgens Wing gaat het bij CT niet alleen om coding en programmeren. Er is meer. Het gaat ook over de vraag welk soort problemen door computers kunnen worden opgelost en welke beter door mensen kunnen worden getackeld,  omdat mensen er gewoon beter in zijn. (meer…)

Verkiezingen 2017: Bedreigt de brede school de kleine school?

Reageer »
ICTkleine scholenkrimp
't klaverblad Drimmelen

‘t klaverblad in Drimmelen moest sluiten

Kleine scholen in krimpregio’s zoals delen van Groningen, Friesland, Zeeland, delen van Brabant, Zeeland en Zuid-Limburg hebben het moeilijk. Hun voortbestaan wordt ernstig bedreigd. We hebben het dan gauw over zo’n 2000 scholen. Een goede kennis die voor D66 in een Groningse gemeenteraad zit vroeg ik hoe D66 hier tegenaan kijkt? Hij maakte me duidelijk dat D66 weinig in kleine scholen ziet.  Dat is erg jammer. Nog los van de emoties die de sluiting van de enige school in een kleine gemeenschap teweegbrengt, biedt ICT uitstekende mogelijkheden om te innoveren en een kleine school te behouden.
De afgelopen jaren heb ik een aantal medezeggenschapsraden van kleine scholen met succes mogen bijstaan. Van de innovatie heb ik later helaas nog niet zo veel gemerkt.
De problemen van een aantal kleine scholen was niet dat men onder de norm zat wat betreft het aantal leerlingen, het was meestal ook geen kwestie van kwaliteit of geld dat bij het bestuur leidde tot een voorgenomen besluit tot fusie dus feitelijke sluiting van de vaak meer dan 100 jaar oude dorpsschool. Wat dan wel? In veel gevallen werd al elders gebouwd aan een nieuwe brede school kilometers verderop. Een school met allerlei voorzieningen zoals dagopvang etc. Vaak waren er afspraken met de gemeente die investeerde in een nieuw gebouw voor een paar honderd leerlingen op basis van de belofte dat het bestuur door sluiting  van de kleine dorpsscholen voor de nodige leerlingen zal zorgen. Sommige nieuwe gebouwen stonden voor een deel leeg en dat was niet bedoeling. (meer…)

Voor honderden scholen dreigt in nieuwe schooljaar het doek te vallen

Reageer »
besturenfusiekleine scholenkrimpleraren

Wacht niet af bij dreiging

Het nieuwe schooljaar is voor de meeste scholen weer begonnen.  Dat betekent dat voor honderden kleine scholen het ook het laatste schooljaar zal zijn. Voor veel kleine kernen is sluiting een zeer dramatische gebeurtenis, die vaak onnodig is. Ouders en Medezeggenschapsraad hebben in het proces van opheffing/fusie vaak veel meer invloed dan ze zich bewust zijn. De sluiting is altijd het gevolg van een keuze die het bestuur maakt. Ook als de school onder de wettelijke norm uitkomt zijn er pragmatische oplossingen. Vaak zijn er al afspraken met de gemeente over een brede school waar de leerlingen heen gaan. Soms is men al met de bouw begonnen. Een brede school kan voordelen hebben maar als dat ten koste gaat van de vertrouwde dorpsschool dan ligt dat vaak anders.
De afgelopen jaren heb ik (samen met anderen) met succes een aantal ouders en MR’s van bedreigde scholen in o.a. Friesland, Drenthe en Overijssel mogen bijstaan. Slechts in een geval had dit geen succes omdat er werd feitelijk te laat aan de bel getrokken.
Tijdens mijn lectoraat aan de lerarenopleiding van Noordelijke Hogeschool in Leeuwarden (NHL) heb ik de waarde van de kleine rurale school pas echt ontdekt. Volgens de internationaal bekende onderwijsexpert prof. Stephen Heppell zou de kleine school juist de norm moeten zijn.
Betrokkenen (zoals ouders, leraren en betrokken inwoners) aarzel vooral niet als er zich een opheffingsdreiging aankondigt om aan de bel te trekken en neem desgewenst contact op met mij.

Jan Lepeltak
j.lepeltak@learningfocus.nl , tel.: 06 5392 7287
Zie verder ook mijn artikel http://www.learningfocus.nl/2015/03/03/kleine-scholen-en-kwaliteit-gaan-goed-samen/

Puzzelen met vier uit balans?

2 reacties
beleidDidactiekImplementatie

puzzel kennisnetOnlangs verscheen Kennisnet met een ICT-puzzel voor bestuurders. Ik moest denken aan Vier in Balans waarover je nu weinig meer hoort.

Onderstaand (ingekort en enigszins bewerkte) kritische blog verscheen in 2011 in Vives. Gaat het vanaf 2011 beter met de implementatie? Moeilijk te zeggen omdat er in de loop der jaren niet steeds op dezelfde wijze werd gemeten, maar het lijkt me van wel. Het tempo blijft wel traag.
———-

Vier uit balans? (2011)
Ik herinner me een persconferentie van Bill Gates in het Amsterdams Hilton begin jaren ’90 waarin hij alle drukte over internet overdreven vond. Internet wordt overschat meende de visionair toen. Een misrekening die hij later ruiterlijk toegaf.

Ja, er is meer gebeurd dan we konden dromen. Maar gebeurt het ook in de scholen? Wanneer je jaarlijks de Vier in Balans monitor leest, slaat de twijfel toe. Het VO-gebruik lijkt zelfs af te nemen. Na 25 jaar is nog steeds iets minder dan de helft van de docenten slecht of matig op de hoogte zijn van “computertoepassingen voor onderwijsdoelen”. De toestand op de lerarenopleiding is weinig florissanter. Er worden nog steeds jonge leraren afgeleverd met nauwelijks kennis van didactisch ICT-gebruik. Het feitelijk “lesgebruik” in de scholen stijgt langzaam.

De vraag is of ons implementatiemodel wel geschikt is. Al jaren werken we met vier in Balans als model. Deskundigheid, ICT-infrastructuur, educatieve content, en onderwijsvisie, moeten min of meer gelijkmatig ontwikkeld zijn. Het een kan niet zonder het ander. (meer…)

‘Echte jongens’

1 reactie

De PO-raad ontdekte onlangs dat er wel erg weinig mannen voor de klas staan

In 2012 schreef ik dit blog

‘Echte jongens’

Kinderen op de basisschool hebben doorgaans een juf. Van de leraren basisonderwijs die jaarlijks afstuderen is ca. 12% een man. Na enkele jaren heeft bijna de helft van hen het onderwijs al weer de rug toegekeerd. Is dat erg? Is het erg als een jongen uit een eenoudergezin tot zijn puberteit alleen met juffen te maken heeft gehad? Kort voor de zomer was ik bij een bijeenkomst vanwege een film die Katinka de Maar voor de VPRO-tv aan het maken is over dit onderwerp. De titel  van de film is ‘Echte jongens’. Er waren naast de documentairemaakster, wetenschappers , enkele VPRO-medewerkers, een beleidsmedewerker van OCW en een specialist op het gebied van onderwijs en arbeidsmarkt, die zich bezighoudt met het stimuleren van ‘hij-instromers’.

In het begin maakte een van de aanwezige onderzoeksters principieel bezwaar tegen de titel van de documentaire. ‘Echte jongens’ vond zij stigmatiserend en te stereotype ten opzichte van bijvoorbeeld homostellen. Katinka stelde terecht dat de titel discussie uitlokt en ook ironisch kan worden opgevat.

Maakt alleen vrouwen voor de klas iets uit bij het leren van jongens? De onderzoekers meenden van niet. Er was geen wetenschappelijk bewijs voor. Maar de resultaten van een grootschalig  Engels onderzoek dan dat begin 2012 werd gepubliceerd? De reden waarom jongens minder presteren in de klas komt doordat ze beoordeeld worden door een vrouw, althans dat stelt de Engelse kwaliteitskrant The Independent. Een nogal stevige conclusie. Uit het Engelse onderzoek onder 1200 scholieren in 29 scholen, bleek dat vrouwelijke docenten aan jongens significant lagere cijfers geven dan anonieme mannelijke examinatoren.  Dat leidde tot verontwaardigde reacties op de Independentsite. Zie: http://www.independent.co.uk/news/education/education-news/female-teachers-accused-of-giving-boys-lower-marks-6943928.html .

 

In de meeste West-Europese landen staan in het basisonderwijs veel meer vrouwen dan mannen voor de klas. Rolmodellen zijn belangrijk in het onderwijs. Meer vrouwen als docent in de bèta-vakken maakt echt uit, zo weten we. Maar het is toch complexer. Het is merkwaardig dat Nederland uitzonderlijk slecht scoort als het gaat om het aantal vrouwen voor science (6,1%),  wiskunde en informatica-beroepen. Duitsland, Frankrijk en Italië hebben bijna het dubbele percentage vrouwelijke studenten in dit soort studies. (Bron: Eurostat september 2011). Terwijl daar ook in het merendeel vrouwen voor de klas staan. Italie, met bijna overwegend vrouwen voor de klas, scoort in Bèta-studies en engineering aanzienlijk beter dan Nederland.

Het blijkt dat rond de leeftijd van 14 jaar meisjes besluiten dat bèta en techniek niets voor hen is. Er moet dus iets eerder gebeuren. Het heeft misschien toch met de lerarenopleiding te maken.  Op de PABO zijn vakken als beeldende vorming, bewegingsonderwijs, handvaardigheid, dans, drama en muziek bij veel vrouwelijke studenten erg geliefd. “De studiekeuze wordt vaak bepaald door het idee om lekker met kinderen bezig te zijn” vertrouwde  een PABO-docent mij toe. Toen ik jaren geleden zelf les gaf op een PABO en aan jongens vroeg waarom ze stopten met de opleiding, kreeg ik vaak als antwoord dat ze de studie te weinig uitdagend vonden, te soft en eigenlijk te makkelijk. Inmiddels is er het nodige aan het veranderen en komt er meer aandacht voor de kennisvakken en techniek. We kennen nu ook de academische PABO (waarvoor je een VWO-diploma moet hebben). Er moet echt meer gebeuren dan alleen maar ‘echte jongens’ voor de klas. Over een ding was iedereen het die middag wel eens: een organisatie met overwegend vrouwen is evenmin wenselijk als een organisatie met alleen maar mannen. Gemengde organisaties functioneren en presteren nu eenmaal beter.

 

Jan Lepeltak